|
Bomen en planten
Bij de grootschalige herbebossingen (rond 1900) met grove den voor het mijnhout, zijn vaak tegelijk lanen van beuk en eik aangelegd. Na de vele vellingen is er op veel plaatsen herplant met de snelgroeiende douglas en lariks. Door spontane groei van berken, eiken en beuken zijn geleidelijk gemengde bossen ontstaan. In de kruidlaag van de bossen komen onder andere blauwe bosbes en klaverzuring voor. In de oudere en nattere bossen vinden we hulst, dalkruid en hengel; in sommige hellingbossen ook bosanemoon.
Naast de bossen komen er in het Nationaal Park relatief veel heideterreinen, vennen en stuifzanden voor. Naast struikheide en dopheide vinden we in deze open terreinen ook klein warkruid, brem, stekelbrem, en langs en in de vennen klokjesgentiaan, zonnedauw, veenbies, veenmos en veenpluis. Op de stuifzanden groeit buntgras, zandzegge, heidespurrie en verschillende soorten korstmossen.
Aan de randen en in de directe omgeving van het Nationaal Park zien we cultuurgraslanden die agrarisch geëxploiteerd worden. Door aangepaste beheersvormen, zoals later maaien en minder bemesten, zijn hier en daar hogere natuurwaarden. Extensief beheerde graslanden vinden we bijvoorbeeld in de westelijke Amerongse Bovenpolder.
|